Laatst bijgewerkt op: 22-05-2019 - aantal paginaweergaves: 137 - gemiddelde leestijd: 2 minuten, 41 seconden

C.7 Voorzieningen

C.7 Voorzieningen

Onder een voorziening wordt verstaan een onderdeel van het vreemd vermogen waarvan de omvang en/of het moment van afwikkeling onzeker is, maar wel redelijkerwijs te schatten is.

Tevens wordt onder dit kopje de onderhoudsvoorziening zoals beschreven in punt C.1 vermeld.

Voor het opnemen van een voorziening gelden strikte voorwaarden. Als er geen sprake is van een in rechte afdwingbare verplichting, is er sprake van een bestemmingsreserve en niet van een voorziening.

Toelichting

Bij voorzieningen hebben we te maken met een richtlijn die zegt dat toevoegingen/dotaties aan een Voorziening zichtbaar zijn in de exploitatierekeningen, maar dat onttrekkingen rechtstreeks ten laste van de Voorziening geboekt worden.
Hiermee sluiten we aan bij de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving.

Een voorziening heeft als doel :

  1. kostenspreiding, dat wil zeggen uitgaven uitsmeren over meerdere jaren, ten einde het resultaat niet te veel te laten fluctueren.
  2. liquide middelen veilig te stellen voor grote uitgaven in de komende jaren, die nu naar omvang al redelijk begroot kunnen worden.
    Door alleen de lasten te boeken is er nog geen zekerheid dat de voorziening in de toekomst ook betaald kan worden.
    Dus moeten er ook liquide middelen gealloceerd worden.

De meest voorkomende voorzieningen zijn die voor onderhoud en reparatie.
Maar er zijn meer mogelijkheden, zoals eerder genoemd bij vorderingen (C.3).

Uitgangspunt is dat elke Voorziening is vastgesteld aan de hand van een langjarig onderhoudsplan of beleidsplan.

Voorbeeld

In jaar 20 is een onderhoudsplan gemaakt voor de monumentale Grote Kerk van de Protestantse Gemeente te Voorbeeldstad. Hierbij is vastgesteld dat er over 10 jaar, dus in jaar 30, onderhoudswerkzaamheden uitgevoerd moeten worden. De begrote kosten zijn € 100.000. Het CvK heeft besloten om hiervoor, met ingang van jaar 21, een onderhoudsvoorziening met een lineaire opbouw te vormen, waarvoor jaarlijks € 10.000 gedoteerd wordt. In de jaren 21 t/m 30 wordt jaarlijks de dotatie geboekt ter grootte van € 10.000 met specificatie ‘Grote Kerk’. In jaar 30 wordt het onderhoud uitgevoerd.

De uitgaven zijn € 105.000, en worden in een keer per bank betaald. € 100.000 wordt ten laste van de voorziening geboekt, € 5.000 ten laste van onderhoud (exploitatie).

Als bij de uitvoering in jaar 30 de uitgaven € 95.000, dus lager dan de voorziening van € 100.000, zouden zijn geweest, zijn er twee mogelijkheden:

  1. Besloten wordt om het verschil te gebruiken voor de volgende ronde van het groot onderhoud aan de Grote Kerk. Er is inmiddels een nieuw onderhoudsplan gemaakt, waaruit blijkt dat in jaar 35 naar schatting € 50.000 aan groot onderhoud besteed moet worden. Omdat er nog € 5.000 over is van de voorziening voor het onderhoud in jaar 30 wordt er de komende jaren € 9.000 per jaar gedoteerd, en niet € 10.000 zoals nodig zou zijn als de vorige voorziening helemaal gebruikt zou zijn.
  2. Besloten wordt om het verschil in jaar 30 ten gunste van de exploitatie te brengen (dotatie aanonderhoudsvoorziening).

Zie ook